Foto:

Column: PECH

Afgelopen maandag was het raak! Autopech. De laatste keer dat mij dat overkwam was goed 40 jaar geleden. We hadden via mijn zwager een witte “Lelijke Eend” gekocht, voor 500 gulden. Het was hartje winter, een dik pak sneeuw, maar de auto startte direct. Ik weet nog dat ik tegen mijn man zei:“Dat die auto start is al foute boel.” Jan lachte en mijn zwager vertrouwde de verkoper. Dus gekocht.

De volgende morgen ging ik naar mijn werk in het Academische Ziekenhuis in Groningen en midden op het Julianaplein, hield de auto ermee op. Daar sta je dan in je wit verpleegsterjurkje en natuurlijk geen jas, wel een omslagdoek. Lopend door een dik pak sneeuw ben ik naar het ziekenhuis gegaan, garage gebeld en dat was het einde van de witte Eend.

Maandagmiddag was het raak midden op de rotonde bij de Broekheurnering. Er was geen beweging meer in te krijgen. Er vormde zich snel een file achter mij en al vlug kwam een meneer naar mij toe.“Kan ik iets voor u doen?” Prompt kwam er nog eentje bij, maar die was drukker met mij, dan met de auto… Een aantal mannen drukte de auto op de vluchtheuvel en vroeg of ze nog iets voor mij konden doen. Ik bedankte hen hartelijk. Tja, daar sta je dan. Voor de afspraak met het Presidium was het al te laat en ik belde eerst maar even mijn dochter. “Mama heeft autopech”, alsof mijn dochter er iets aan kon doen. Lachen en “moet ik je halen?” “Nee hoor lieverd, ik bel even papa en de Wegenwacht.” Mijn man gebeld en uitgelegd dat ik pech had. Die wou alles wel doen, maar ja er moest iemand bij de auto blijven en bij mijn moeder thuis, dus lief, maar ik red mij wel.

De Wegenwacht gebeld. Dat was snel geregeld. Ondertussen sta je wel levensgevaarlijk met je auto op de vluchtheuvel en daar maakte ik mij nog de grootste zorgen om. Straks gebeuren er nog ongelukken. En dan staat plotseling de buurjongen met zijn ouders en broer naast je auto. “Hulp nodig Margriet?” Natuurlijk komt de buurjongen gelijk met grappen aan.“Zullen we je naar huis slepen”, vraagt de buurman. “Doe maar, is veel veiliger. De Wegenwacht kan naar mijn huisadres komen.” “Ik ga bij jou in de auto hoor Margriet”, zegt de buurjongen. Dat had ik wel verwacht. En zo lieten we ons trekken door de buurman, richting huis met een hoop lol in de auto.

Thuisgekomen, staat mijn man met een boterham klaar. “Jij wilt natuurlijk vlug naar het stadhuis”? Ja graag. Ik vond het jammer dat ik het Presidium moest missen en wil niet ook de stedelijke commissie missen. “Ik moest denken aan de witte Lelijke Eend”, zei ik tegen mijn man. “Ik ook”, lachte mijn man. Een dikke kus en in de auto van mijn man naar het stadhuis. Autopech, het haalde een lang geleden gebeurtenis naar boven. De liefde voor een Lelijke Eend is altijd gebleven.

Margriet Visser

Raadslid EnschedeAnders

Meer berichten